Juffrouw Spruyt.

Corrie heette ze voor intimi, maar Cornelia Gerardina Johanna Spruyt werd door haar omgeving doorgaans aangesproken als juffrouw Spruyt. Ze was een notarisdochter uit Gorredijk en na het behalen van haar HBS-diploma was ze gaan werken op de secretarie van de gemeente Heerenveen. In 1941 nam Corrie haar intrek in het pension van Meintje Jongbloed, mijn oma. Ze betrok de grote voorkamer op de eerste verdieping waar ze uitzicht had op het kringhuis van de NSB. Tussen het kringhuis en de Ford-garage, waar tegenwoordig de Pleinweg is, was destijds de grote tuin van het kringhuis. Een hoge schutting onttrok alles wat daar plaatsvond aan het zicht, maar vanuit haar kamer was goed te zien hoe de NSB-kinderen van de Nationale Jeugdstorm op zaterdagmiddag in de tuin marcheerden. De in lichtblauw shirt en zwarte broek of rok gestoken stormers en stormsters vormden de Nederlandse tegenhanger van de Hitlerjugend.

Corrie Spruyt maakte deel uit van het georganiseerde verzet. Door haar werk op de secretarie van het gemeentehuis was ze in de gelegenheid om op verschillende manieren het bevolkingsregister te saboteren. Samen met collega’s zorgde ze er onder meer voor dat valse persoonsbewijzen in omloop werden gebracht, zodat veel jongens en mannen niet opgepakt konden worden om in Duitsland te gaan werken. En de ondergrondse werd zo nu en dan voorzien van gemeente-stempels en papieren voor het vervalsen van documenten. Corrie was een van die ambtenaren die zich onderscheidden van vele collega’s in het land die slaafs de maatregelen van de Duitsers uitvoerden. De meeste Nederlanders hielden zich tijdens de oorlog gedeisd. Niet te veel opvallen, zo nodig je leven aanpassen aan de omstandigheden en verder de storm uitzitten. Slechts weinigen namen actief deel aan het ondergrondse verzet.

Mijn moeder Tjitske kon het goed vinden met Corrie. Aan het begin van de avond, als de huishoudelijke klusjes gedaan waren, zat ze graag even bij haar op de kamer. Een radio-ontvanger op tafel en een houten been in de hoek van de kamer. Corrie vertelde haar over het ongeluk dat ze vroeger had gehad. Als jong meisje ging ze dagelijks met de tram vanuit Gorredijk naar de RHBS, de Rijks Hogere Burgerschool in Heerenveen. Op een herfstige dag liep ze met een stel medeleerlingen na schooltijd naar de tramhalte op de Fok. Omdat de tram er al aan kwam versnelden ze hun pas, bang om te laat te zijn. Het wegdek was glad door de regen en de herfstbladeren en terwijl ze met elkaar naast de tram mee renden gleed Corrie in het gedrang uit. Ze kwam ten val en belandde met haar been onder de tram. De verwondingen waren zo ernstig dat haar onderbeen niet meer te redden was.

Op haar kamer luisterde ze vaak naar de berichten op de Engelse zender. Dat moest uiteraard in het geheim gebeuren, want de Duitsers hadden in mei 1943 bevolen dat alle radio-ontvangers ingeleverd moesten worden. Wie niet aan dit bevel voldeed riskeerde een forse gevangenisstraf. Mijn moeder zat er regelmatig bij als er om negen uur ’s avonds werd afgestemd op Radio Oranje. Als Koningin Wilhelmina vanuit Londen op vurige wijze haar volk toesprak, maakte dat veel indruk op haar. De volledige strekking van Wilhelmina’s woorden ontging haar soms, maar ze voelde wel degelijk de spanning en opwinding van dat moment. En keer op keer drukte Corrie haar op het hart dat ze er absoluut met niemand over mocht praten.

Op een dag, tegen het einde van de oorlog, belde een politieman aan, Bakker heette hij. Hij was op zoek naar een kamer. Corrie hoorde ervan en waarschuwde mijn oma, dat Bakker sympathisant van de NSB was en dus niet te vertrouwen. Volgens mijn oma viel dat wel mee. Zij meende dat hij aan de goede kant stond en ze besloot, ondanks de waarschuwingen, toch een kamer aan hem te verhuren. Het werd Corrie vanaf dat moment te heet onder de voeten en ze ging onmiddellijk op zoek naar een ander adres. Al na een week kon ze een kamer huren bij smid Jan de Jong, midden op de Dracht. Ze wist dat ze bij De Jong goed zat, want hij maakte deel uit van het georganiseerde verzet. Voor de leidende rol die hij in het regionale verzet speelde werd Jan de Jong vele jaren later nog diverse malen onderscheiden.

Tegen het eind van de oorlog liep juffrouw Spruyt tegen de lamp. Controles door NSB’ers hadden uitgewezen dat er geknoeid was in de bevolkingsadministratie. Ze werd opgepakt en belandde samen met anderen in een koude, vochtige cel in de gevangenis achter Crackstate, slechts enkele tientallen meters verwijderd van haar werkplek. Een strozak met een legerdeken en een emmer als toilet, daar moest ze het mee doen.

De gevangenis van Crackstate was in de oorlogsjaren berucht, met name vanaf oktober 1944 toen een commando van de Sicherheits Dienst onder leiding van Hauptsturmführer Kronberger er huishield. Leden van het verzet werden door het Kommando Kronberger op gruwelijke wijze gemarteld. ‘Moordhol Crackstate’ werd het genoemd en tot ver buiten de muren van de gevangenis hoorde men soms het gekrijs van gevangenen. Sommige van hen bezweken aan de martelingen, anderen werden gefusilleerd.

Toen de Duitsers op 14 april 1945 op de vlucht sloegen voor de naderende Canadese troepen werden de gevangenen aan hun lot overgelaten. Bakker Gerlof de Wolf uit de Begoniastraat en zijn knecht sloegen de aftocht van de Duitsers gade, haastten zich naar Crackstate en bevrijdden de zestig gevangenen.

Corrie Spruyt doorstond de ontberingen van de gevangenis en bracht het er levend van af, geestelijk ongebroken. Na de oorlog nam ze haar werk op de secretarie weer op. In overleg met de plaatselijke illegaliteit werd ze lid van de commissie van advies voor de zuivering van gemeentepersoneel. Ze legde bovendien een grote maat-schappelijke betrokkenheid aan de dag. Jarenlang was ze bestuurslid van de plaatse-lijke afdeling van de Partij van de Arbeid en actief in de PvdA-vrouwengroep. Daarnaast vervulde ze nog diverse andere maatschappelijke functies.

Corrie bleef tot aan haar pensionering bij de gemeente Heerenveen werken. Ze bleef altijd ongehuwd.

Op 2 januari 1983 overleed juffrouw Spruyt, 76 jaar oud.